Uitgezwommen in zee, maar ik wil nog niet boven komen drijven. Alsof het zoute water mij niet loslaat en de golven me keer op keer terugslaan. Hup! De zee in! Het is ook heerlijk toeven in een zee. Tenminste zolang de golven je niet overspoelen. Een roman kan je tenminste dichtslaan als het je teveel wordt. Een zee verdwijnt niet zomaar als je er middenin dobbert. Of is dat niet helemaal terecht? Zijn er niet bepaalde verhalen die ons leven voor altijd kleurden, die nooit meer verdwenen? Ik weet nog precies wanneer ik gegrepen werd door de literatuur. Het verhaal van de Titaantjes. Nescio. En dan die Bavink die er alsmaar niet in slaagde de ondergaande zon zo te schilderen dat het goed was. Ik zie hem zo voor me, en dat terwijl ik geen idee heb welke Bavink Nescio bedacht. Mijn Bavink staat voor een doek dat half is afgeschilderd, hij staart naar die perfecte zonsondergang en vraagt zich hopeloos af hoe hij die kleurschakering op zijn doek terugkrijgt. Hij is vergeten dat het er niet omgaat de ondergaande zon te kopieren, nee hij moet er zijn draai aan geven, zodat de kijker van zijn schilderij door zijn ogen een blik kan werpen op de werkelijkheid. Maar Bavink heeft zichzelf opgesloten in zijn perfectie. En wie zich opsluit in perfectie, creeert uiteindelijk niets. Nescio. Hij krijgt in Noem het liefde ook een stem. Eigenlijk zouden we hem allemaal weer moeten lezen.


Volg Beitske ook via